Dansen met de vijand, het oorlogsgeheim van tante Roosje

12 april 2017 in Maatschappij

Bij een bezoek aan Auschwitz ontdekt Paul Glaser (1947) in een vitrine een koffer met zijn achternaam. Het tot dan toe verzwegen familiegeheim onthult hij in ‘Dansen met de vijand, het oorlogsgeheim van tante Roosje.


Koffer (een fragment uit Dansen met de vijand, het oorlogsgeheim van tante Roosje)

Vanuit mijn raam op de derde verdieping zie ik het donkere plein, schaars verlicht door enkele straatlantaarns. De kinderkopjes glimmen in de druilerige regen en de lantaarns spiegelen zich als gebroken gele vlekken. Het is stil en rustig. Oude, statige hoge huizen omsluiten het plein en achter een enkel raam zie ik nog licht branden. Op dit tijdstip slapen de meeste mensen. Mijn oog valt op een groot, lomp gebouw te midden van die huizen. In zijn strengheid heeft het iets van een gesticht. Opmerkelijk, zo’n lomp gebouw aan dit mooie plein in het centrum van Krakau.

Morgen is de laatste dag van de conferentie. We zijn als ziekenhuisdirecteuren uit meerdere Europese landen bijeengekomen, wisselen ervaringen uit en bespreken hoe actuele vraagstukken in de gezondheidszorg het best kunnen worden aangepakt. De plenaire voordrachten en workshops zijn interessant. Ik ontmoet veel collega’s uit andere Europese landen. Naast contacten binnen de workshops heb ik vandaag boeiende gesprekken gevoerd met twee collega’s, een uit Bordeaux en een uit München. Het was een nuttig bestede dag, bedenk ik, uitkijkend over het glimmende plein.

Mijn vrouw is deze keer meegereisd. De studenten van de hogeschool waar ze werkt hebben vakantie en we zijn nooit eerder in Krakau geweest. Na afloop van de conferentie blijven we met enkele andere directeuren nog drie dagen langer, zo hebben we afgesproken. Ik verheug me daarop. De eerste dag maken we een stadswandeling in Krakau, lopen door oude straten, over intieme pleintjes, bekijken rijk aangeklede kerken en een middeleeuws slot. De dag daarna bezoeken we oude zoutmijnen in de buurt. Daar werd twee eeuwen lang
zout gewonnen en ondergronds is dan ook een indrukwekkend gangenstelsel ontstaan met grote zalen, uitgehouwen in de zoutlagen.

De laatste dag is een bezoek gepland aan het nabijgelegen grootste concentratiekamp van de Tweede Wereldoorlog, Auschwitz, met het aangrenzende Birkenau. Naarmate de laatste dag van ons bezoek nadert, vraag ik me steeds meer af wat ik eigenlijk te zoeken heb in dat kamp. De avond voordat de bus ons de volgende dag erheen zal brengen, zeg ik tegen mijn vrouw dat ik geen zin heb in dat uitstapje. Ik heb nooit eerder een concentratiekamp bezocht en ben er ook niet nieuwsgierig naar. De documentaires die ik als middelbare scholier heb gezien, waren voor mij genoeg. Mensen crepeerden er en details over hoe ze precies crepeerden voegen voor mij niets toe aan de kern van die zwarte geschiedenis.

Maar is dat wel de werkelijke reden? Is het niet een drogreden die iets verbergt wat dieper ligt? Intuïtief staat een bezoek aan een concentratiekamp me tegen. Waarom? Ik voel weerzin, ik wil niet mee, ik moet ervan wegblijven, dit is een geschiedenis om weg te stoppen, om te vergeten. Tegen mijn collega’s zeg ik dat ik er al genoeg van heb gezien.

De volgende ochtend bij het ontbijt proberen enkele collega’s mij over te halen om toch mee te gaan. We zijn nu toch in de buurt, houden ze me voor, hoe kan ik er nu geen belangstelling voor hebben? Omdat we steeds met elkaar zijn opgetrokken, laat ik me overhalen. Die ochtend stap ik met een gemengd gevoel de bus in. Na een uur rijden komen we aan bij een uitgestrekte vlakte. Het kamp lijkt oneindig groot. Zover het oog reikt zie ik houten barakken. Onze gids is een jonge vent met kort blond haar die ons met een enorme glimlach welkom heet. Nadat hij zich heeft voorgesteld roept hij opgewekt ‘Follow me’, en gezamenlijk lopen we door de poort met daarboven de tekst arbeit macht frei.
Hier zijn onnoemelijk veel mensen vermoord, meest Joden, vertelt onze gids. Mannen, vrouwen, kinderen en zelfs baby’s.

Ik voel me een ramptoerist. Wat doe ik hier? En waarom ben ik vanmorgen niet standvastiger geweest en in de stad gebleven? De gids, nog steeds enthousiast, loodst ons langs een aantal stenen gebouwen en stopt bij een muur waar dagelijks mensen werden geëxecuteerd. Vervolgens komen we aan bij een gebouw waar dr. Clauberg destijds zijn medische experimenten uitvoerde. Het werd ook gebruikt om gevangenen te huisvesten en onze gids leidt ons door enkele sober verlichte zalen met achter glas in beslag genomen goederen.
Een vitrine bevat een enorme hoeveelheid brillen. Een andere ligt vol met afgeknipte haren, sommige nog met vlechten erin. Mijn vrouw en ik lopen als eersten naar de volgende zaal, waar een groot aantal koffers is tentoongesteld. De gevangenen moesten hun koffer labelen. Dan kon die niet zoekraken, zo werd hun voorgehouden. Op iedere koffer staat de naam van de eigenaar en het land van herkomst.

Mijn blik valt op een grote bruine koffer die helemaal vooraan staat. Ik schrik en verstijf; op de voorkant van de koffer staat geschreven dat die uit Nederland komt, en met grote letters de naam ‘Glaser’. Mijn vrouw ziet het ook en pakt mijn hand. Het is mijn naam, een naam die in Nederland weinig voorkomt. Ik beweeg me niet, zeg niets en kijk alleen nog maar naar die koffer. Zo staan we daar dan, met voor ons, aangelicht door etalagelampen, een bizar landschap van koffers. Tientallen dringen zich aan ons op, grote, kleine, bruine, zwarte, mooie, smerige, en die met mijn naam staat vooraan. In de spiegeling van de vitrine ruit zie ik ons staan in het schemerig zwart-wit van de sobere
zaal, met vóór ons die helverlichte bruine koffer. Een koffer met mijn naam op weg naar nergens. We zijn alleen, kijken en zeggen niets, minutenlang.

Stemmen worden luider. Het zijn de mensen van onze groep die uit de zaal met brillen in onze richting komen gelopen. Ook zij zullen de koffer zien, daar is geen ontkomen aan. Ik verbreek de stilte en zeg tegen mijn vrouw: ‘Hier heb ik absoluut geen zin in, kom, we gaan.’ We lopen snel de zaal uit, richting uitgang. De frisse lucht doet me goed. Na een tijdje komt de groep met de gids ook naar buiten.‘Heb je dat gezien, die bruine koffer met je naam erop?’ Die vraag had ik gevreesd, en ik had stilletjes gehoopt dat niemand die naam had gelezen. Ik voel me opgelaten en verward, en nog voor ik antwoord kan geven vraagt een ander: ‘Heeft familie van jou hier tijdens de oorlog gezeten? ’Schoorvoetend antwoord ik: ‘Mijn naam op die koffer viel mij ook op. Ik weet niet van wie die geweest is.’ Meer vragen volgen, maar die ontwijk ik. Tot mijn opluchting neemt de gids weer het woord en leidt ons verder. Maar wat hij zegt hoor ik niet meer, mijn gedachten zijn bij de koffer.

Eindelijk komen we terug bij de bus. Het uitstapje is afgelopen. Bij het avondeten praat iedereen honderduit. Normaal zou ik daar volop aan meedoen, maar die avond ben ik stil en ga vroeg naar mijn kamer. Het beeld van de koffer laat me niet los. ’s Nachts in bed lig ik te piekeren. Waarom gaf ik mijn vrienden ontwijkende antwoorden, waarom draaide ik eromheen terwijl ik toch heel goed weet wat het antwoord is? Met het beeld van de koffer op mijn netvlies neem ik een besluit en val in slaap. De volgende ochtend weet ik het zeker: ik onthul mijn zoektocht naar ons familiegeheim.

Lezing 3 mei: Dansen met de vijand, het oorlogsgeheim van tante Roosje, Henricuskapel Parkstede in Rijssen
Een lezing door de schrijver van het boek Paul Glaser, georganiseerd door de Bleek en VVG.

Wil je er bij zijn? Bekijk het evenement voor meer informatie en meld je snel aan!

Dansen met de vijandDansen met de vijand, het oorlogsgeheim van tante Roosje
Auteur: Paul Glaser
Uitgever: Cargo, 2016
Nederlandstalig
320 pagina’s
ISBN: 9789023499329
Prijs: €19,90

 

 

 

Lezing: dansen met de vijand, het oorlogsgeheim van tante Roosje

19:30 3 mei 2017 Henricuskapel Parkstede

Bij een bezoek aan Auschwitz ontdekt Paul (1947) in een...

Lees verder