Boekfragment De bekentenissen van Constantijn

23 februari 2017 in Cultuur

Op vrijdag 24 februari presenteert historicus Wim Jurg zijn nieuwste boek De bekentenissen van Constantijn (uitgeverij Damon), een portret van een geestige, maar eenzame man. Lees hieronder alvast een boekfragment.

Eerste boekrol

Voor ik begin wil ik dat de slaaf het volgende noteert. Ik ben Constantijn, Augustus van de Romeinen. De slaaf heeft al vaker voor me geschreven wanneer ik geen ambtenaar wilde gebruiken. Ook deze keer moet hij op wasplankjes schrijven wat ik dicteer en dat later uitwerken op papyrus, maar dit wordt geen brief. De slaaf is vrij om mijn verhaal de vorm te geven die hem goed lijkt, christenen wijken vaak af van de oude vormen en dat moet dan maar. Hij mag natuurlijk niet afwijken van de feiten die ik hem vertel. Hij moet zo groot schrijven dat ik het met mijn oude ogen zelf kan nalezen, dan kost het maar wat meer papyrus. Zo duur is dat ook weer niet en bovendien, ben ik de alleenheerser over het Romeinse rijk of ben ik dat niet? Net als van de vertrouwelijke brieven die ik de slaaf laat schrijven wordt er ook nu geen kopie voor het archief gemaakt. Misschien dat ik dat later nog laat doen, maar dat beslis ik nadat ik alles heb herlezen.

Ik heb vaak nagedacht over wat ik wil vertellen. Ik kan er niet langer mee wachten, het moet nu gebeuren. Alle bevelen voor de oorlog tegen Perzië zijn gegeven, ik hoef alleen nog de rapporten aan te horen en als dat nodig is mijn bevelen aan te passen. Straks ben ik op veldtocht en dan moet ik al mijn aandacht aan mijn officieren en soldaten geven. Dit wordt mijn laatste grote oorlog. Die is vast niet in één zomer voorbij, het kan een paar jaar duren voor ik terug ben en heb ik dan nog de kracht? Het zal nu moeten of anders misschien wel nooit.

Ik denk dat mensen maximaal vijf keer een keus maken die hun leven heeft bepaald. Dat geldt voor senatoren, gewone burgers en arme boeren. Het geldt zeker ook voor vrouwen. Het geldt zelfs voor slaven. Nu kijkt de slaaf toch even op. Zelfs de meest ellendige slaven, die in de mijnen naar koper of goud moeten graven, hebben in elk geval één keus. Ze kunnen altijd een gelegenheid zoeken om een eind aan hun leven te maken, dan is de ellende onmiddellijk voorbij. Ik heb vier van die keuzes gemaakt waarbij er verschillende wegen openlagen en door de ene weg te kiezen sloot ik de andere af. De vierde was elf jaar geleden. Ik moet beginnen met mijn eerste keus.

Diocletianus

Het verhaal van mijn eerste keus begint bij mijn eerste ontmoeting met Diocletianus. Alles begint bij Diocletianus. Laat ik dit meteen zeggen, ik heb Diocletianus altijd bewonderd. Hij is de man die het rijk heeft gered, ik kon in bijna alles verdergaan waar hij was gebleven. Niet in zijn maatregelen tegen de christenen, al begreep ik die in het begin wel. En ik ben natuurlijk afgeweken van zijn bizarre systeem van opvolging. Zo gaat men niet om met een staat.

Ik was een kind toen Diocletianus aan de macht kwam en achttien toen hij mijn vader opdracht gaf om mij van Trier naar het hof in Nicomedia te sturen. Mijn vader was sinds een paar jaar gouverneur van het noorden van Gallië. Hij en Galerius waren zojuist door Diocletianus tot Caesar gepromoveerd, mijn vader ging heel Gallië en ook Brittannië besturen, en mijn komst naar Nicomedia was onderdeel van het pakket. Mijn vader had mij voorbereid op wat mij te wachten stond. Dat wil zeggen, hij had me door een officier laten voorbereiden, mijn vader en ik zagen elkaar niet zo vaak. Ik nam afscheid van mijn laatste jeugdvrienden. Van de meesten had ik al afscheid genomen toen we naar Trier verhuisden, maar ik had er zes mee mogen nemen. We waren bijna altijd samen, we oefenden, kregen les en gingen op jacht, maar nu mocht er niemand mee. Ik heb ze later officier gemaakt. Er zijn er nog twee in leven. Ik reed met de door Diocletianus gestuurde afdeling soldaten naar Nicomedia. De dag na mijn aankomst was er een audiëntie en werd ik formeel ontvangen. Het was mijn eerste kennismaking met het door Diocletianus ingevoerde en door mij overgenomen audiëntieprotocol. Een paar uur voor het begon werd ik nog eens door een ambtenaar geïnstrueerd. Ik verstond hem eerst bijna niet vanwege zijn sterke Griekse accent, maar nadat ik daaraan was gewend hoorde ik dat zijn Latijn foutloos was.

Eerst ging alles zoals mij was verteld. Begeleid door ambtenaren liep ik door de eindeloze paleisgangen. Ik wist dat die met opzet eindeloos waren gebouwd en kon mij voorstellen dat niet goed voorbereide bezoekers al waren geïntimideerd lang voor ze in de audiëntiezaal waren. Het paleis was toen nog nieuw, tegenwoordig wordt het alleen gebruikt als ik op bezoek kom en dat is bijna nooit. Ik vermoed dat het er flink stoffig is. In de audiëntiezaal knielde ik op de gemarkeerde vloertegel en boog voor Diocletianus, ver weg op zijn podium. Alle belangrijke mannen en vrouwen van het hof hadden al voor mij op de vloertegel geknield. Omdat de zoon van de nieuwe westelijke Caesar werd ontvangen wilde Diocletianus dat iedereen erbij was.

Ik stond op de mij aangewezen plek in de eerste rij. Diocletianus zat op de hoogste troon, op een lagere troon naast hem zat de nieuwe oostelijke Caesar Galerius. Op nog weer lagere tronen aan de buitenzijden zaten Diocletianus’ vrouw Prisca en hun dochter Valeria, die op bevel van Diocletianus met Galerius was getrouwd. Ik leg het maar uit, de slaaf was toen nog niet eens geboren. Ik keek naar de purperen toga’s en stola’s, Diocletianus’ krans van eikenbladeren, zelfs van zo’n afstand rook ik de oosterse parfums. Zij keken alle vier onbewogen over ons heen. Achter de troon van Diocletianus stonden ambtenaren, daarachter lijfwachten, daar weer achter torende een fel gekleurd standbeeld van Jupiter. Het grootste deel van de audiëntie was voor de gebruikelijke verzoeken. Ik herinner me een oude Syrische weduwe die vroeg of de heer en god van het rijk wilde optreden als hoogste rechter in een conflict over grondeigendom waarin ze eerst door een lagere rechter en daarna de provinciegouverneur in het ongelijk was gesteld. Ik kende zulke verzoeken van het hof van mijn vader. Mijn vader was in Trier precies zo’n provinciegouverneur geweest, zich er altijd van bewust dat iemand in beroep bij de Augustus kon gaan. Mijn vader sprak rechtstreeks en soms heel uitgebreid met de vragenstellers. In Nicomedia zei na elk verzoek een van de ambtenaren achter Diocletianus’ troon dat de verhevene het in overweging zou nemen en de vragensteller over drie dagen terug moest komen naar het paleis om een antwoord te krijgen, waarna de vragensteller een laatste dankbuiging maakte en terugliep. Al gaf Diocletianus in het geval van de Syrische weduwe een teken met zijn hand aan de ambtenaar achter hem en vertelde deze toen dat zij haar zaak met alle bijbehorende documentatie de volgende dag mocht voorleggen aan de hoogste adviseur in beroepszaken. Daarom herinner ik mij haar waarschijnlijk nog.

Na het laatste verzoek moest ik uit mijn rij komen en voor het podium knielen. Een van de ambtenaren riep dat de zoon van de Caesar Constantius welkom was aan het hof. Ik boog mijn hoofd nog dieper. Daarna zei de ambtenaar dat ik naar de troon mocht komen om de zoom van de toga van de Augustus te kussen. Dat was geen verrassing, ik had vooraf gehoord dat mij die gunst zou worden verleend om mijn vader te eren. Maar nadat ik de zoom had gekust, ik zat nog geknield naast de troon, fluisterde de ambtenaar dat ik na afloop in de zaal moest achterblijven. Terwijl ik terugliep zag ik de nieuwsgierige blikken, iedereen wist wat het betekende. Een jongen iets verder in de eerste rij keek vijandig. Ik had nog geen kennis met hem gemaakt, maar vermoedde al dat het Maxentius was. En zo wachtte ik, terwijl eerst Diocletianus opstond en gevolgd door Galerius en hun vrouwen naar de hoge deur achter het podium liep, en daarna alle anderen de zaal door de voordeur verlieten.

Ik heb de slaaf verteld dat hij mijn toestemming heeft om de naam van Maxentius op te schrijven. Ik zag hem aarzelen toen ik zijn naam dicteerde. Ik bevestig dat hij dit doet in mijn opdracht.

Een lijfwacht leidde me door een lage deur naast het podium een gang in. Hij bracht me door een wachtruimte naar een kamer met een grote tafel. Erachter zat Diocletianus. De kamer keek uit op een binnentuin en zag er zo uit als mijn eigen werkkamer. Ook bij hem stonden aan de andere kant van de tafel meer stoelen, drie of vier. Anders dan Diocletianus wil ik dat in grote vergaderingen met ambtenaren en officieren iedereen staat behalve ikzelf, maar als het er maar een paar zijn mogen ze ook van mij zitten. Voor Diocletianus lag de opgerolde brief die ik had meegenomen uit Trier en meteen na mijn aankomst had afgegeven, ik herkende het zegel. Nu keek Diocletianus niet over mij heen. Van dichtbij zag hij er anders uit dan op zijn munten, zijn wangen waren wat minder bol, zijn ogen waren strenger. Zijn soldatenbaard was grijs.

‘Ik heb goede dingen over je gehoord.’ Hij wees naar een stoel.

Een bronzen stem. Ik ging zitten. Ik wist niet of ik moest antwoorden, hier was ik niet op voorbereid. De officier van mijn vader had gedacht dat Diocletianus mij misschien later nog eens privé zou ontvangen. Of nooit. Maar zeker niet meteen na de formele ontvangst. De ambtenaar die mij instrueerde had er ook niets over gezegd.

‘Wie in deze kamer mag komen,’ zei Diocletianus, ‘mag mij rechtstreeks aanspreken.’ Aan de klank van zijn Latijn kon je nog steeds horen dat hij uit Illyrië kwam, of in elk geval hoorde ik dat omdat ik daar ook was geboren. Hij vroeg hoe mijn reis was geweest en hoe het met mijn vader ging. Ik bedankte hem voor de ontvangst, vertelde over de reis en dankte hem voor de benoeming van mijn vader tot Caesar.

‘De benoeming was een besluit van Maximianus en mij samen.’

Ik begreep mijn fout. Formeel was Diocletianus alleen de Augustus van het oosten en besliste hij alles samen met Maximianus, de Augustus van het westen. Al zal de slaaf dat toch wel weten, ik leg het maar weer uit. ‘Ik dank ook de Augustus Maximianus.’

Hij knikte. ‘Ik las wat je vader schreef.’ Hij wees op de brief die ik al had herkend. Ik had hem mogen lezen voordat hij door een officier van mijn vader verzegeld werd en er stonden vooral algemene beleefdheden in. ‘Wat vind je van zijn vrouw?’

Nu werd het echt riskant. Hij bedoelde Theodora, met wie mijn vader had moeten trouwen om gouverneur in Trier te mogen worden. ‘Ik heb,’ zei ik, ‘haar maar een paar jaar meegemaakt en had niet veel contact met haar. Maar ik zag dat ze bescheiden en vriendelijk is. De dochter van de Augustus Maximianus is de perfecte echtgenote voor mijn vader.’

Diocletianus glimlachte. ‘Ik hoorde van mijn ambtenaren dat een jongeman in de audiëntiezaal je wantrouwig bekeek.’

Ik had geen idee wat ik daarover moest zeggen.

‘Heel verstandig dat je nu zwijgt. Alles wat je kunt antwoorden zou verkeerd kunnen zijn. Je vader heeft je vast gewaarschuwd dat het soms beter is je mond te houden. Je vader heeft mij altijd geholpen, hij was mijn vriend al voor ik de macht kreeg. Ik wil je een advies geven. Je bent jong en bereid om risico’s te nemen. Dat is goed, maar pas op. Zoek uit wie je vrienden kunnen zijn en voor wie je moet uitkijken. Soms zit daar geen verschil tussen. Kies naast je vrienden ook je vijanden, maar neem nooit risico’s met de macht in de staat. Sommige vriendschappen en vijandschappen kunnen worden uitgelegd als een bedreiging van de macht. Er kan maar één macht in de staat zijn, anders krijgen we weer burgeroorlog.’

Ik dacht aan het risico van zijn benoemingen van al die machthebbers naast hem. Stel dat zij ondanks alle afspraken toch niet uitvoerden wat hij wilde?

‘Net als mijn goede vriend de Augustus Maximianus weten de beide Caesars precies wat hun rol inhoudt en waar de grenzen liggen.’

Ik denk dat ik betrapt heb gekeken. Diocletianus glimlachte voor de tweede keer. ‘Ik heb niet de macht verdeeld, maar alleen de rollen. Het gaat goed zolang iedereen zich aan zijn rol houdt. Jouw rol is de komende jaren simpel: je bent aan het hof om te leren. Doe dat.’

Hij stond op. Ik wist dat ik kon gaan, stond ook op en wilde knielen. Hij schudde zijn hoofd. ‘Alleen als er anderen bij zijn.’ Ik zag nu pas hoe lang hij was, nog langer dan ik.

De lijfwacht stond in de wachtkamer en bracht me via een wirwar van binnenplaatsen terug naar de paleisvleugel waar mij na mijn aankomst in Nicomedia een kamer was toegewezen.

Boekpresentatie De bekentenissen van Constantijn 

Nieuwsgierig? Kom op vrijdag 24 februari naar de boekpresentatie in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden. Bekijk het evenement hier

De bekentenissen van Constantijn
Auteur: Wim Jurg
Uitgever: Damon, 2017
Nederlandstalig
208 pagina’s
ISBN: 9789463401654
Prijs: €19,90