Leven en werk van Hildegard van Bingen – Hans Wilbrink

6 augustus 2018 in Boeken

Hildegard van Bingen mag, meer dan achthonderd jaar na haar dood, rekenen op een grote belangstelling voor haar persoon en haar werk. Omdat zij zo veelzijdig was, komt die aandacht van verschillende kanten: van de paus in Rome, kerkhistorici, mediëvisten, herbaristen en, zeker ook, van hen die belangstelling hebben voor zingeving en spiritualiteit.

In tal van teksten legt Hildegard getuigenis af van haar relatie met God, van haar contact met het Levende Licht, zoals zij dat noemt. En van daaruit geeft ze ook antwoorden op vragen van de zoekende mens van vandaag. Daarom blijft deze mystieke vrouw uit de twaalfde eeuw zo sterk in de belangstelling staan.

Hans Wilbrink (1949) is neerlandicus en sociaal wetenschapper met een bijzondere belangstelling voor theologie. In 2006 promoveerde hij op onderzoek naar de mysticae Hildegard van Bingen en Hadewijch van Brabant.


Hoofdstuk 4: Hildegard verhuist naar Bingen

Vanaf 1150 spreken we van Hildegard van Bingen. Dat is het jaar waarin Hildegard de Disibodenberg verliet en zich met twintig nonnen op de Rupertsberg vestigde. De Rupertsberg te Bingen, genoemd naar de H. Rupert, wiens grootvader nog uit de tijd van Karel de Grote stamde. Dat was volgens Hildegard een tijd waarin heidenen en christenen samen leefden aan de westelijke oever van de Rijn. Hildegard schreef een vita van Rupert. Zij zag hem als een voorbeeld.

De vader van Rupert was de heiden hertog Robold; zijn moeder was de christin Bertha. Toen Rupert drie jaar was, stierf zijn vader in een gevecht tegen de christenen. Bertha verhuisde toen naar de oever van de Nahe, waar zij een kerk liet bouwen. Ze leefde er voorbeeldig als weduwe, in armoede, ongeacht haar grote rijkdom, en richtte zich op de verzorging van armen en zieken.

Haar zoon Rupert volgde het vrome voorbeeld van zijn moeder. Hij werd voltijds pelgrim, zag tijdelijk af van al zijn geld en goederen en vertrok naar Rome. Het werd voor hem een spirituele zoektocht. Toen hij voldoende innerlijk verrijkt was, keerde hij terug naar zijn moeder en stichtte hij dorpen en kerken op het uitgestrekte gebied dat in eigendom was van de familie waartoe hij behoorde. Hij leefde voorbeeldig als weldoener, in navolging van zijn moeder, en bestuurde zijn gebied rechtvaardig, waarbij hij toeliet dat anderen zich binnen de grenzen van zijn ministaatje vestigden. Hij voerde een open beleid ten aanzien van mensen uit andere provincies, omdat hij vond dat dit de sociale en culturele ontwikkeling van zijn gebied zeer ten goede zou komen. Hij was ongeveer twintig jaar toen hij stierf.

Pas vijfentwintig jaren later stierf zijn moeder. Enkele jaren na haar dood werd het gebied aan de Nahe ingenomen door de Noormannen. De kerk waarin het gebeente van Rupert en Bertha rustte, bleef wonderwel gespaard, aldus Alfred Haverkamp. Hildegard vestigde zich in 1150 in datzelfde gebied, in overeenstemming met wat haar in een visioen was getoond. Dit was een daad waaruit haar sterk ontwikkelde zelfbewustzijn andermaal bleek. Ondanks het conflict dat onmiddellijk met abt Kuno van de Disibodenberg ontstond en zelfs ondanks de ruzie met een aantal van haar eigen nonnen die weigerden mee te gaan, hield ze voet bij stuk en volgde ze haar goddelijke intuïtie. Deze ituïtie zette haar ertoe aan te vertrekken naar de nieuwe plek. Haar eerste taak in het nieuwe klooster was de voltooiing van Scivias. Ik behandel in het nu volgende daarom nog enkele fragmenten uit Scivias.

Tweede visioen van het tweede deel

Toen zag ik een zeer helder licht en daarin een saffierkleurige mensengestalte die geheel door een heel mild roodachtig vuur werd verwarmd. En dit heldere licht doordrong dit gehele rode vuur en dit rode vuur dat gehele heldere licht en dat heldere licht en ook het roodachtige vuur de gehele mensengestalte, zo dat ze één licht met dezelfde sterkte leken te zijn.

En weer hoorde ik het Levende Licht tot mij spreken. (…)

Hier vindt de gewaarwording van Gods geheimen plaats, opdat helder onderscheiden en begrepen wordt wat deze volheid is, die nooit in haar oorsprong is gezien, geheel vervuld van sterke energieën en die alle stromen zo krachtig heeft voortgebracht. Want als het de Heer aan zijn eigen groenkracht zou ontbreken, wat zou dan zijn werk zijn? Het zou dan helemaal niets voorstellen. Derhalve onderscheidt men in de volheid van het werk wie de maker is.

God wordt in dit fragment als ‘de volheid’ getekend, de absolute energetische oerbron vol groenkracht van waaruit alles wordt veroorzaakt. Hildegard geeft in het vervolg van dit fragment een uitvoerig exposé over de samenstelling van de Drievuldigheid, waarbij zij voortdurend de nadruk legt op de ondeelbaarheid van God en de totale ineenvloeiing van de drie personen, zodanig dat er geen sprake is van enige veranderbaarheid van de drie-ene God. De goddelijke Drie-eenheid kan niet uit elkaar ‘gescheurd’ worden. Hildegard huldigt de neoplatoonse opvatting van de ondeelbare Godheid, het Goede. Tegelijkertijd onderschrijft ze het leerstuk van de christelijke Triniteit, één God in drie Personen, waarvan de inhoud was vastgesteld tijdens de concilies van respectievelijk Nicea (325), Constantinopel (381) en Chalcedon (451). Hildegard mijdt in haar werk dit complexe geloofsprobleem niet, integendeel, het daagt haar uit daarover na te denken. Dat ze er veel mee bezig is, blijkt onder andere uit het zevende visioen van het derde deel van Scivias, dat ook bijna geheel gewijd is aan de Drie-eenheid. We lezen enkele fragmenten. Eerst een samenvatting van het eerste deel van het visioen.

Hildegard ziet in een visioen een gebouw. Aan de westhoek van dat gebouw ziet ze een mysterieuze, maar uiterst sterke, donkerrode zuil. Deze was zodanig in de hoek van de muur ingebouwd dat zij zowel van de binnen- als van de buitenkant zichtbaar was. Deze zuil was zo omvangrijk dat hoogte en breedte niet te overzien waren, maar wel de mooie symmetrie ervan. Aan de buitenkant zaten drie staalkleurige randen, van boven tot onder zo scherp als een zwaard. Een daarvan was op het zuidwesten gericht, waar veel afgesneden droog stro lag, en één naar het noordwesten waar geplukte veertjes lagen. De middelste rand was op het westen gericht, waar veel verrot afgezaagd hout lag.

Soms is het niet eenvoudig je voor te stellen wat Hildegard allemaal in de geest ontving. Wat moeten we met dit visioen? Een zuil van gigantische omvang, met scherpe randen die successievelijk stro, veertjes en houtsnippers hebben afgesneden. Deze beelden roepen bij de lezer geen enkele associatie op, waardoor ze dan ook niet gemakkelijk te begrijpen zijn. Gelukkig kunnen we bij de zienster zelf te rade gaan. Ze legt ons uit hoe een en ander geduid moet worden. Een parafrase:

De zuil die je aan de westhoek van het voorgestelde gebouw ziet, stelt de ware Triniteit voor. Want Vader, Woord en Heilige Geest zijn één God in Drievuldigheid en dezelfde Drievuldigheid is in eenheid. Zij is de volmaakte zuil van al het Goede. (…). De zuil is mysterieus, omdat God zo wonderbaarlijk is en onbegrensd; zo vol geheimen dat Hij niet door kennis of op een zintuiglijke manier kan worden ervaren; en Hij is zo sterk dat al jouw kracht door Hem gestuurd wordt en zich niet met Zijn kracht laat vergelijken. De donkerrode kleur van de zuil verwijst naar de dood van zijn enige zoon, die zijn purperrode bloed voor de verlossing van de mensen vergoot. (…)

En dat er één rand op het zuiden is gericht, waar veel droog stro ligt, dat door hem is afgesneden en verstrooid, betekent: de zeer rechtvaardige God van de Drievuldigheid snijdt in het christenvolk alle dorheid van de tegenstand en het tegenspreken weg en ook de verwerping van het ware katholieke geloof, die Hij ontmoet, tot zijn grote ontsteltenis, en verbrandt ze als hooi, dat – van het eetbare koren gescheiden – vertrapt wordt en in het vuur verbrandt. (…)

En een rand richt zich naar het noordwesten; daar dwarrelt een massa veren naar beneden die door hem zijn uitgerukt, omdat de Godheid de trotse pronkzucht van het Joodse volk, dat zeer hoogmoedig met trots gemoed voortgaat, terneerslaat, als het zich op eigen macht laat voorstaan en zich niet Gods recht laat wedervaren. Zo gedroegen zich de Farizeeërs, die probeerden hoog ten hemel te stijgen, vertrouwend op eigen kunnen en bouwend op zichzelf, maar die volgens het rechtvaardige oordeel van God, wegens het afwijken van hun manier van doen, verscheurd werden en ten gevolge van dit aanmatigend gedrag ten val kwamen. (…)

De middelste echter is op het westen gericht, waar vele door hem afgezaagde vermolmde houtresten liggen. Want de Drievuldigheid snijdt de goddeloze en duivelse scheuring van het heidense volk dat zich ten aanzien van het ware geloof in staat van ontrouw bevindt, af; immers, zoals vermolmd hout vies en nutteloos is, zo ook is dit volk afgesneden van de vreugde van het leven en verworpen (…).

Men kan zich afvragen hoe Hildegard aan deze beelden komt. De beelden zuil, vermolmd hout, veertjes, droog stro. Dat laatste beeld kennen we van het gezegde het kaf van het koren scheiden, maar de andere drie lijken door haar willekeurig gekozen. Misschien zijn ze bij haar opgekomen terwijl ze mijmerend naar buiten keek, alwaar de bouw bezig was van haar klooster (op de Rupertsberg) en waar wellicht een knecht de kippen plukte voor het avondeten. De veren zijn ook te associëren met de middeleeuwse straf waarbij een misdadiger werd ingesmeerd met pek en bestrooid met veren. Hierna werd deze met gespreide benen zittend op een paal door sterke mannen ter beschimping door de stad gedragen. De pek was, in tegenstelling tot tegenwoordig, geen oliederivaat, maar een bijproduct van het verbranden van houtafval tot houtskool. Vandaar dan misschien die vermolmde snippers? We kunnen er vooralsnog alleen maar naar raden.

Wat sterk opvalt, is de negatieve opvatting die Hildegard hier heeft over de Joden. Ze noemt ze ijdel, hoogmoedig en aanmatigend. Als we contemporaine normen aanleggen, dan is haar opvatting over de Joden voor de moderne mens discutabel. Ook op enkele andere plaatsen in haar werk laat zij zich soms niet zo vriendelijk over de Joden uit. Zo zegt ze bijvoorbeeld in het vijfde visioen van het eerste deel van Scivias: ‘Zo handelden ook de Joden die aanvankelijk de goddelijke wetten aannamen, maar vervolgens in hun ongeloof de Zoon van God verwierpen.’ Anderzijds kan zij soms ook met warmte spreken over de Joden als het uitverkoren volk van God. Er woonden veel Joden in haar buurt. In de vita wordt gememoreerd dat de Joden eens bij Hildegard op bezoek waren om haar kritisch te bevragen. Ze kregen echter een zodanig weerwoord van haar, dat de rollen werden omgekeerd en de bezoe- kers krachtig door haar werden vermaand en tot geloof in Christus werden opgeroepen.

In Bingen was een Jodengemeenschap, maar volgens Angela Carlevaris was er een veel grotere in Mainz en daar woonden ook veel Joodse geleerden. Het is heel goed mogelijk dat Hildegard de Joodse geleerden zelf heeft opgezocht of uitgenodigd om over hun exegese-methoden te vernemen. De Joden stonden immers bekend om hun methodologische expertise betreffende de uitleg van het Oude Testament. Hildegard was eveneens een bekwaam exegeet. Het is niet ondenkbaar dat zij een deel van die expertise aan haar contacten met de Joden heeft te danken.

Er zijn mensen die haar van antisemitisme beschuldigen. Daarvan is echter in haar werk nergens sprake. We moeten ons er rekenschap van geven dat Hildegard er een mening op na hield die niet afweek van wat in de Middeleeuwen gebruikelijk was. De Joden werden gezien als de moordenaars van Christus. Hun nageslacht werd daarom veracht en vervolgd. Tijdens de Eerste Kruistocht (1097) werden de Joden in het Rijnland massaal gedood en tijdens de Tweede Kruistocht (1147) waren de Franse Joden het slachtoffer: velen stierven op de brandstapel. In de veertiende eeuw werden de Joden verantwoordelijk gehouden voor de uitbraak van de pestepidemie, wat in 1349 leidde tot de beruchte Jodenverbrandingen. Aan hen die overleefden, werd opgedragen zich voortaan herkenbaar als Jood te kleden: met een geel insigne op het wambuis en een Jodenhoed.

Zo rond 1150, toen Hildegard deze passage van Scivias schreef, vond er in haar regio ook actieve Jodenvervolging plaats. In de orthodox-katholieke omgeving van Hildegard werden de Joden dikwijls gehaat. Ze werden niet toegelaten tot de gildes, ze woonden in getto’s en begaven zich noodgedwongen in de geldhandel. Toen dat succesvol verliep, was dat weer opnieuw aan- leiding tot afgunst en nijd. Als we de afschuwelijke zwarte sfeer die er destijds rond de Joden heerste in ogenschouw nemen, dan zijn de uitlatingen van Hildegard daarbij vergeleken eigenlijk nog mild. De verhouding die Hildegard met de Joden had, werd sterk bepaald door haar belangstelling voor het theologisch dispuut en niet door een antisemitische grondhouding. Ik vervolg de behandeling van Scivias nu met een indrukwekkend visioen uit het tweede deel dat over de Kerk handelt. Eerst volgt de vertaling van de tekst, daarna een toelichting.


Leven en werk van Hildegard van Bingen*
Auteur: Hans Wilbrink
Uitgeverij: Abdij van Berne
Pagina’s: 244
ISBN: 9789089722461
Prijs: €19,90

 

 


*Dit artikel bevat (een) gesponsorde link(s), lees meer in onze disclaimer.

Bron afbeelding: Marina Vitale via Unsplash

De hemel bestormen (vol)

11 januari 2019 - 13 januari 2019 Fredeshiem - Steenwijk

Van bergen gaat een bijzondere kracht uit: het verlangen naar...

Lees verder

De nacht van de mystiek 2019

20:00 - 00:00 25 januari 2019 Stadsschouwburg Nijmegen

Mystiek is van alle tijden, gaat door alle culturen en...

Lees verder

Gnostiek Jung in het heden

20:00 - 22:00 7 februari 2019

In de eerste jaren van onze jaartelling onderkende men vele...

Lees verder

Hoe god verscheen in Saksenland – Dirk Jan Otten

16:30 2 maart 2019 Stadskerk De Bleek - Almelo

Schoolplaten en geschiedenisboeken wekken de indruk dat de evangeliepredikers Willibrord,...

Lees verder