Leesfragment: Ik was vreemdeling, maar jullie hebben mij opgenomen.

6 juni 2018 in Boeken

Een vraag die velen in de huidige tijd van vluchtelingstromen bezighoudt is: hoeveel verscheidenheid kunnen we aan? Hoeveel vreemdelingen kan een samenleving opvangen, zonder haar eigen identiteit te verliezen?

De monnik Anselm Grün benadert het thema vreemdelingschap vanuit verschillende kanten: historisch, psychologisch maar ook vanuit het geloof. Daarbij wordt duidelijk: een vreemdeling houdt ons een spiegel voor, die ons laat inzien dat we zelf ook ‘onbekende’ kanten hebben.

Men kan dan ook angst voor vreemdelingen niet met een moreel appel overwinnen, maar alleen wanneer men de vreemdeling in zichzelf plaatst. Het gaat er Anselm Grün dus niet om te veroordelen, maar om hulp te bieden, hoe we de angst voor de vreemdeling eerlijk kunnen aankijken en daarop passend kunnen reageren en ermee omgaan.


3. Psychologische inzichten: De confrontatie met het vreemde.

Wat mij betreft zijn er twee modellen, beide een soort spiegel, voor de psychologische benadering van het onderwerp ‘vreemdelingen’. Het ene is het psychoanalytische model van Arno Gruen, dat voornamelijk op de psychologie van Freud gebaseerd is; het andere is het dieptepsychologische model dat C.G. Jung ontwikkeld heeft.

Arno Gruen werd in 1923 in Berlijn geboren en emigreerde in 1936 naar de Verenigde Staten. Daar werkte
hij bij verschillende universiteiten als hoogleraar en therapeut. Van 1979 tot zijn dood in 2015 woonde Gruen in Zwitserland, waar hij werkte als psychotherapeut. Hij heeft veel te danken aan de psychoanalyse van Freud, al is hij zijn eigen weg gegaan.

C.G. Jung werkte aanvankelijk samen met Sigmund Freud, maar na verloop van tijd nam hij afscheid van hem en ontwikkelde zijn eigen model van dieptepsychologie. Een belangrijk element daarin, waarover Jung voor het eerst in 1912 publiceerde, is het fenomeen van de schaduw.

De vreemdeling in onszelf (Arno Gruen)

Volgens Arno Gruen ontstaat de angst voor de vreemdeling voornamelijk doordat mensen wezenlijke eigenschappen van zichzelf onderdrukken omdat ze tijdens het opgroeien meekrijgen dat die er niet mogen zijn. Gruen drukt het als volgt uit:

Ze verwerpen hun eigen visie, hun empathie, hun ondervindingen, omdat men hun geleerd heeft dat deze verfoeilijk, idioot en onwaardig zijn. – Gruen, 16

Hun eigenheid werd gemaakt tot vreemdheid,

waarvoor ze zich schamen en die ze daarom afsplitsen en moeten bestraffen. – Gruen, 16

De eigen menselijkheid wordt zo een vijand, die het bestaan bedreigt

en die overal – zowel in onszelf als in anderen – bestreden en vernietigd moet worden. – Gruen, 16

Gruen illustreert zijn stelling met het volgende voorbeeld. Een studente werkt met en voor asielzoekers. Ze wil zich voor de nieuwkomers inzetten, maar plotseling merkt ze tot haar schrik dat er racistische gedachten door haar hoofd gaan. Ze bezoekt een lezing van Arno Gruen en begrijpt daarna waarom deze gedachten in haar opkomen. De oorzaak ligt in haar verleden. Ze werkt met een groep Albanese jongeren. Enkele van hen zeggen behoorlijk zelfbewust dat ze een opleidingsplek willen. De studente zegt na de lezing:

Toen kreeg ik dat gevoel dat het arrogante buitenlanders waren. Maar door uw lezing kwam er plotseling iets boven, iets wat ik vergeten was: Ik mocht nooit zeggen: ‘Ik wil’, maar moest altijd zeggen: ‘Ik zou graag.’ Ik verafschuwde in deze jonge Albanees wat ik had geleerd van mezelf te haten.

Gruen grijpt terug op de overwegingen van Sigmund Freud, die meende:

… dat juist de kleine verschillen (tussen mensen), terwijl er voor de rest overeenkomstigheid is, gevoelens van reserve en vijandigheid tussen hen veroorzaken. – Gruen, 17

Dan vraagt hij:

Hoe ontstaat de paradox dat we een ander vooral als vreemd ervaren wanneer hij veel met ons gemeen heeft – Gruen, 17

Zijn antwoord: omdat het eigen ik of delen daarvan vervreemd zijn geraakt, is dat een blijvende bron van angst voor de ander. De vreemdeling herinnert ons vaak aan de eigen menselijkheid die we verdrongen hebben omdat we deze in onze jeugd hebben meegekregen als iets negatiefs, als iets wat er niet moest zijn. Maar mensen die tijdens de opvoeding leren het eigene te verafschuwen zijn niet in staat tot empathie, niet tegenover henzelf en niet tegenover anderen. Dan degraderen ze de anderen tot onmensen en vinden dat ze die uit de weg zouden moeten ruimen, zich van hen moeten ‘zuiveren’. Die ander wordt dan niet meer in zijn individuele mens-zijn gezien, maar alleen als deel van een groep:

Zijn daadwerkelijke emoties, houdingen en gedragingen worden niet meer gezien. In plaats daarvan wordt zijn persoonlijkheid tot één enkele eigenschap gereduceerd: dat hij bij die groep hoort. Deze abstrahering maakt het onmogelijk om met empathische ogen naar de ander te kijken. – Gruen, 20

Deze marginalisering van het individu tot deel van een groep was kenmerkend voor Nazi-Duitsland. Gruen zoekt de oorzaak in de opvoeding zoals Hitler die stimuleerde: ieder kind is een soort slagveld, waarop zijn natuurlijke driften moeten worden uitgeroeid.

De innerlijke vijand, die identiek is aan de vreemdeling, bestaat uit alle elementen in een kind die kwijtgeraakt zijn omdat een of beide ouders deze elementen verwierpen, omdat deze dingen het kind afwijzing en straf opleverden, terwijl het op zijn eigen authentieke grond stond, het ge- woon zichzelf was. – Gruen, 22

Als er bij iemand al in de kindertijd afwijzing gevolgd door afkeer van de intrinsieke eigenheid plaatsvindt, heeft dat tot gevolg dat diegene zijn haat naar buiten richt. Daarom heeft hij de vreemdeling nodig als vijand om zijn eigen identiteit te kunnen vinden. Wie als kind zijn eigenheid moest verloochenen, vervangt zijn identiteit door prestatie, bevestiging, door zijn sociale rol. Maar als deze identiteitskwaliteiten of de waarden daarvan bedreigd worden door een maatschappelijke crisis, beleeft hij de verschrikking die hij als kind heeft gevoeld: de

… verschrikking van de onmacht, het overgeleverd zijn en de schaamte. – Gruen, 24

Juist tijden van crisis leiden er dan toe dat de innerlijke nood en de druk om van deze oude pijn weg te vluchten zo groot worden

… dat men hem alleen nog met dubbel zo heftige energie kan afweren. Dat gebeurt als het eigene, dat immers de trigger is van de innerlijke pijn, in uiterlijke vreemdelin- gen wordt gezocht en bevochten. – Gruen, 24

We maken nu mee dat veel mensen door de omwentelingen en ontwikkelingen in de maatschappij, die tot gevolg hebben dat er vraagtekens worden gezet bij waarden en tradities, geconfronteerd worden met alles wat ze bij zichzelf onderdrukt hebben. De eigenheid die ze in hun jeugd als het vreemde hebben afgestoten, komt in de vele vreemdelingen weer op hen af. En dat roept angst op. Ze voelen – om met Arno Gruen te spreken – de verschrikking van de onmacht die ze als kind hebben gevoeld. Ze konden zich niet verdedigen tegen dat wat hen van buitenaf ingepompt werd. Daarom proberen ze nu bij de verschrikking van de onmacht weg te blijven door er met geweld op te reageren, zodat ze zich machtig voelen. Maar het geweld is niets anders dan een uiting van de angst voor de eigen onmacht en de confrontatie met alle verdrongen behoeften en wensen. Het geweld is de reactie op de verdrongen schaduw.

De vreemdeling als schaduw (C.G. Jung)

De andere verklarende theorie voor onze vreemdelingenangst en vreemdelingenhaat, is het door C.G. Jung ontwikkelde schaduwmodel. Hij gaat ervan uit dat ieder mens steeds twee polariteiten heeft: liefde en boosheid, vertrouwen en angst, gevoelens van eigenwaarde en gevoelens van minderwaardigheid, kracht en zwakte, gezond en ziek, wel uitgeleefd en niet uitgeleefd. Alles wat de mens van deze polariteiten niet aanvaardt omdat het niet in zijn zelfbeeld past, komt in het schaduwgebied van de eigen persoonlijkheid terecht en wordt een zogenoemde blinde vlek. Deze heeft vaak een destructieve uitwerking.

Een voorbeeld van de schaduw die uit zijn schuilhoek komt, is een heel sympathieke en aangepaste man die ineens een woedeaanval krijgt. Alle verdrongen boosheid wordt plotseling zichtbaar. Die woede zat er altijd al, want agressie is bij iedereen een onmisbaar element in de levensenergie. Deze woede wordt in eerste instantie door het ego van de alleen-maar-vriendelijke man verdrongen, maar zal ergens een ventiel zoeken om te kunnen ontsnappen. Vaak gebeurt dat dan op een vernietigende wijze. Als mens gebruik je de woede dan niet als een kracht om iets teweeg te brengen, maar de woede heeft jou in zijn greep. Hij beheerst je en verstoort je zelfbeeld.

Een ander voorbeeld: als je je minderwaardigheidsgevoelens verdringt, ontlaad je die wanneer je iemand anders kleineert en vernedert. Door iemand anders te vernederen hoop je bij de angst voor je eigen minderwaardigheid te kunnen wegblijven. Maar deze manier van ontladen is destructief en schadelijk, zowel voor jezelf als anderen.

Een andere manier waarop de verdrongen schaduw in beeld komt, is het zogenoemde projecteren. Dan zie je je eigen woede niet maar projecteer je die op de ander. Als iemand in je omgeving zegt wat hij wil, vind je hem meteen een agressief en egoïstisch persoon. Je ziet bij een ander wat jij jezelf verbiedt. Een ander aspect van projectie is dat je bij een ander bestrijdt wat je van jezelf niet mag. Als je je bijvoorbeeld vaak hebt ingehouden omdat je niet de moed had je gevoelens te tonen of te zeggen wat je wilde, herinnert de vreemdeling die zijn gevoelens uit, je aan jouw ingeslikte emoties. Om maar niet bij de verdrongen gevoelens bepaald te worden, moet je die vreemdeling kleineren of als moreel verwerpelijk wegzetten.

Als je door de bril van deze theorie naar het thema vreemdelingenangst en haat kijkt, wordt duidelijk dat de vreemdeling je laat zien of terug spiegelt wat vreemd is in jezelf, wat je nog niet kent. Maar dit onbekende stuk boezemt angst in. Je wilt het bij jezelf niet zien. Veel mensen uit andere landen hebben een donkerder huidskleur dan jezelf. Als je bang voor hen bent, onthult dit dat er ook in jou het een en ander donker is. Maar je denkt dat je alleen maar wit, helder en transparant bent.


Ik was vreemdeling maar jullie hebben mij opgenomen.*
Auteur: Anselm Grün
Uitgeverij: Berne Media, Abdij Van Berne
Pagina’s: 155
Taal: Nederlands (vertaald uit het Duits: Ich war fremd und ihr habt mich aufgenommen)
ISBN: 978-90-8972-230-0
Prijs: € 16,90

 


Bron afbeelding: Ramon Mangold