Leesfragment: Diagnose van de moderne filosoof. Waarom filosofen gek zijn.

1 april 2018 in Boeken

Zijn filosofen gek? Zo ja, waarom? En ligt dat dan aan de filosoof, aan de filosofie of aan de diagnostiek? Dat zijn de vragen die in Diagnose van de moderne filosoof centraal staan.

Nicole des Bouvrie neemt aan de hand van het diagnostische handboek van psychiaters en psychologen (de DSM-V) de situatie van de hedendaagse denker onder de loep. Autisme, psychoses, anorexia en andere aandoeningen passeren de revue, om aan de hand van een grondige anamnese van hedendaagse denkbeelden uit de westerse filosofie een diagnose te stellen. Hieronder een leesfragment uit Diagnose van de moderne filosoof. Waarom filosofen gek zijn. 


Intake 

Welkom bij dit intakegesprek. Fijn dat je er bent. Voordat we in zullen gaan op jouw achtergrond en de reden waarom je op zoek bent naar een diagnose van de moderne filosoof, zullen we eerst wat zaken moeten verhelderen. Waarom zijn we hier? Waarom is het belangrijk om jou als losoof aan een diagnose te onderwerpen? Maar ook moeten we verduidelijken wat de rol van de diagnosticus is.

Het is nogal wat om het traject van diagnostisering in te zetten. Dat vergt meer dan enkel het doorlopen van de verschillende onderdelen van een diagnose – de bijbehorende de nities, anamneses, diagnoses en uiteindelijk de aanbevelingen die daaruit voortvloeien. Die zijn namelijk alleen betekenisvol wanneer de doelstelling en de voorwaarden duidelijk zijn. Een diagnose is gebaseerd op een heel specifiek kader, en dat zullen we tijdens dit intakegesprek duidelijk proberen te krijgen. Hopelijk kunnen we binnen de beperkte ruimte die we hier hebben, een beetje duidelijkheid creëren over de manier waarop we in deze sessies te werk zullen gaan, en vooral ook waarom we dat gaan doen.

Daarom zullen we bij het begin moeten beginnen, namelijk bij de filosoof zelf. Ondanks dat alle filosofen welkom zijn, waaronder ook iedereen die zich als ‘denker’ of ‘filosoof’ kwalificeert, draagt het begrip ‘filosofie’ toch ook een hoop bagage met zich mee. Elk werk dat zich bezighoudt met filosofie lijkt wel op dezelfde manier te beginnen. Ondanks dat het een van de oudste begrippen is, of misschien wel daarom, is ‘filosofie’ een begrip dat nog altijd om een uitleg vraagt. Daarbij wordt teruggegrepen op de geschiedenis van dat begrip, om iets te kunnen zeggen over de toekomst of tenminste het heden. Dat op zich, zo zou je kunnen beargumenteren, is al waanzinnig genoeg om een boek over vol te schrijven. Die waanzin is niet te vermijden, zo zullen we zien wanneer we de filosofie van dichterbij gaan bekijken. De filosofische realiteit is doordrongen van een verhouding met dat wat aangeduid wordt als ‘gek’. En om die te kunnen diagnosticeren, is het belangrijk om bij het begin te beginnen. Bij de oorsprong van de filosofie, om te laten zien dat daar het fundament van de waanzin al gelegd is. Verankerd in de waanzinnige bewegingen die filosofen eeuwenlang hebben herhaald, ligt echter ook een kritiek op de huidige samenleving die steeds meer waarde hecht aan de diagnose, aan het label dat een onderscheid maakt tussen het normale en het afwijkende.

Vragend naar de oorsprong van het woord filosofie, komen we waarschijnlijk veel dichterbij het woord dat een synoniem is van ‘filosofie’: wijsbegeerte – het begeren van wijsheid. Want wat is dat eigenlijk, liefhebben en het liefhebben van wijsheid in het bijzonder? Hoe kunnen we dat liefhebben begrijpen zonder de daarbij komende blindheid, de gehechtheid en alles wat er zoal bij verliefdheid komt kijken in ogenschouw te nemen? Want al deze zaken zijn van toepassing op de filosofie. Het willen bezitten van datgene wat we liefhebben, en door het te bezitten de geliefde tegelijkertijd weer te verliezen. Het besef dat de afstand die tussen jezelf en het object dat je liefhebt bestaat aan de ene kant de reden is dat de liefde kan groeien, maar dat die afstand aan de andere kant zorgt voor frustratie en gemis. Filosofie is dus veel meer dan kennis of wijsheid, ze is een houding, een methode die zich toelegt op het benaderen van datgene wat voorbij gaat aan kennis. Het gaat erom één te worden met wijsheid, en jezelf te verliezen in die ‘daad’.

Deze definitie van filosofie als het ‘liefhebben van wijsheid’ gaat al terug tot Socrates, die zich ermee af wilde zetten tegen de sofisten die hun kennis als handelswaar hadden aangemerkt. De sofisten boden namelijk niet alleen kennis en welbespraaktheid te koop aan, ze gaven daarmee ook een bepaalde indruk over wat wijsheid was. Volgens hen was het enkel van belang een goede leermeester te vinden en je zou verzekerd zijn van roem, eer en overtuigingskracht. Maar dat was volgens Socrates niet de bedoeling – wijsheid ligt volgens hem, en de hele Westerse filosofie die in zijn voetsporen is getreden, niet verborgen in het weten van bepaalde zaken die je kunt leren door een leraar na te praten. Het denken is iets dat voorbij gaat aan feiten. Het is iets dat ondernomen moet worden, dat een actieve houding vereist. Een vorm van contemplatie, reflectie op hetgeen je doormaakt waardoor je tot meer inzicht komt. Een leerweg dus, waarvoor een leraar gevonden kan worden, maar het uiteindelijke doel ligt in de verlichaming van de ideeën die je aangereikt krijgt. Het zelf doen dus, niet het nadoen van anderen. Filosofie kan dus wel opgevat worden als een verlichaming van ideeën. Dat betekent ook direct dat je eigen leven verweven raakt met wat je denkt. Filosofie is dus meer dan het zoeken naar kennis en het aanbieden daarvan, maar kan veel meer gezien worden als een verlichaming, een houding waarbij reflectie en denken tot uitgangspunt van het leven worden. Het maakt dat denken en het leven zelf altijd verweven is met de werkelijkheid van de ervaring.

Wie beweert dat filosofie enkel een theoretische aangelegenheid is, zou nog eens beter moeten kijken naar de voorbeelden die te vinden zijn in de geschiedenis van de filosofie. In het boek Sterven voor een idee brengt losoof Costica Bradatan een aantal van die voorbeelden naar voren, en analyseert hij hun leven en de keuzes die ze maken. Want het leven en het werk dat filosofen (en schrijvers) nalaten is met elkaar verweven. “Het zelf van een auteur is het resultaat van het werk dat hij produceert en van de ideeën die hij erop nahoudt.”Of, wanneer we de Franse filosoof Pierre Hadot aan het woord laten, die het fundament heeft gelegd van onze hedendaagse opvatting van filosofie als levenskunst, dan begrijpen we dat filosofie een reeks “geestelijke oefeningen” is, die tot doel hebben om te komen tot “een soort zelfvorming, of paideia, wat leren hoe te leven is.” Filosofie is dus een heel aparte tak van sport, niet te verwarren met andere vormen van wetenschap waar het vergaren van kennis centraal staat. Filosofie is niet iets dat de filosoof zomaar achterlaat wanneer hij zijn werkkamer verlaat. Hij neemt haar mee waar hij ook gaat, zij komt tot uiting in alles wat de losoof doet, of niet doet.

Maar als de filosofie werkelijk een reeks geestelijke oefeningen is die erop gericht zijn een goed en gebalanceerd leven te kunnen leiden, waarom is de filosoof dan zo vaak depressief, afwijkend in zijn gedrag, of wat we in de volksmond wel ‘waanzinnig’ noemen? Harde cijfers zijn niet echt voorhanden, maar als we alleen al kijken naar de levens van de ‘grote namen’ uit de filosofie en kunstwereld zien we verrassend vaak dat ze eindigen met zelfmoord of in het gekkenhuis. Friedrich Nietzsche als grote voorbeeld natuurlijk, maar er zijn nog talloze anderen die we van dichterbij zouden kunnen bekijken – Cantor, Deleuze, Plath. Hoe kan het dat degenen die de houding en inhoud van de geest zo diepzinnig onderzoeken, uiteindelijk ten onder gaan aan de consequenties van dat onderzoek? In dit boek staat niet de vraag centraal hoe waanzin wordt ervaren door filosofen en denkers, en hoe de twee verweven zijn. Ook zal hier weinig ingegaan worden op de sociale omstandigheden en geschiedenis waarin de termen ‘waanzin’ en ‘ziekte’ worden geschapen en opgelegd. In plaats daarvan wordt de vraag geopperd hoe de filosofie als levenskunst verschillende elementen van de waanzin aan zichzelf heeft opgelegd, en hoe losofen als uitoefenaars van deze tak van sport daardoor hun geestesgesteldheid op de proef stellen. En wanneer die ‘waanzin’ zo natuurlijk is voor de filosoof, kunnen we dan de indeling van de huidige psychiatrische wetenschap nog wel volgen als een manier om een oordeel te vellen over wat normaal is, zowel binnen de filosofie maar ook daarbuiten? Daarover later meer.

Eerst is het zaak te kijken waarom de diagnostische noodzaak uit de filosofie zelf naar voren komt. Waarom staat de geestesgesteldheid van de filosoof zo op het spel? En waarom is dat bij een denker meer het geval dan bij anderen?

Nieuwsgierig geworden? Op 8 april wordt het boek bij boekhandel Roelants in Nijmegen gepresenteerd Klik hier voor meer informatie.


Diagnose van de moderne filosoof. Waarom filosofen gek zijn.
Auteur: Nicole des Bouvrie
Uitgever: Damon
144 bladzijden, Nederlandstalig
ISBN: 9789463401258
Prijs: €14,90

 

 


Levenseinde – Bert Keizer

10.30 - 12.00 20 januari 2019 De Sprang - Velp

In deze lezing gaat filosoof Bert Keizer in op de...

Lees verder

Wat kan Afrikaanse filosofie voor het westen betekenen – Renate Schepen

15:00 - 17:00 20 januari 2019 The College Hotel - Amsterdam

Aan de hand van het werk van Nigeriaanse en Zuid-Afrikaanse...

Lees verder

Grote denkers van de 20e eeuw – Heidegger en zijn kring

15:00 21 januari 2019 Adventskerk - Zoetermeer

Cursus en leeskring over de grote filosofische denkers van de...

Lees verder

Indiase filosofie: traditie en vernieuwing als eeuwige weg

19:00 - 20:45 24 januari 2019 Radboud Universiteit - Nijmegen

Het Morgenland. Zo werd India vanaf de negentiende eeuw in...

Lees verder