Boekfragment: Filosofie van de waanzin

15 februari 2017 in Filosofie

De taal van mystiek en religie blijkt bijzonder geschikt, zowel om over ervaringen van waanzin te praten, als om deze uit te drukken en weer te geven. Een boekfragment uit Filosofie van de waanzin van Wouter Kusters.

Stilleven van Babel, (fragment uit ‘Filosofie van de waanzin‘)

Vroeger hoopte je de oplossing binnenshuis te vinden; door de posters en wandkleden te bestuderen, de lichtsterkte in verschillende kamers te vergelijken en de kortste route tussen kamer A en kamer B te berekenen. Je doolde in het rond, van kamer naar kamer naar kamer; iedere rustplaats was opnieuw behaaglijk op z’n eigen manier. Alle functies werden vervuld: woonkamer, eetkamer, slaapkamer, werkkamer.

Maar elke kamer was begrensd in mogelijkheden en geen enkele kon het totaal (be)vatten. Je wist van uitgangen, want het begrip ‘uitgang’ was de naam van je herinnering, maar ze hadden je afgeleerd uitgangen op hogere niveaus te zoeken. Alleen op de begane grond mocht je kortstondig het huis van de taal verlaten. Ze zeiden dat je alleen naar buiten kon treden door in vergetelheid te leven — in de roes van de materie — door op te gaan in het genot, door het sprakeloze onuitsprekelijke moment te vieren.

Hogere verdiepingen golden als onbetrouwbaar, vergeestelijkt, verdacht idealistisch, en hun steunmuren waren broos als woorden. Uitgangen op hogere niveaus zouden tot val en instorting leiden. Tot het moment dat je begreep dat er een omgekeerde instorting bestond: collaps als uitgangspunt. Uittreding door instorting.

Het huis der taal had geen vensters. Je kon er niet in of uit kijken. Gelaten draaide je in je eigen opgeworpen stof en as rond. Tot het moment dat je doorkreeg dat het een ‘open huis’ was — open van boven. Het was als een open cilinder of wc-rol in plaats van een stolp of afgesloten doos. Het huis der taal had sindsdien twee uitgangen: één op aarde en één in de hemel. Na die ontdekking werd de lucht de stille voedingsbodem van de taal.

Voorheen dacht je in krachten van zwaarte, remming en neerwaartse bewegingen. Nu rees je mee met opstijgende warmte en stil opcirkelende bidspiralen. Beneden in huis waren de woorden als stenen aan kettingen geklonken. Woordenboeken en gebruikssituaties omlijnden betekenissen. Praktijken van levensvormen kapselden spreekgewoonten in. Rollen, gedragspatronen en verhoudingen dwongen woord, zin en tekst in het gareel.

Aan de bovenkant van het huis der taal echter wezen de woorden het ruim van de vrijheid in. De betekenissen waren daar als brandstof voor het rijk der mogelijkheden, de zinspatronen waren er als stemmige gewaden — vrij te dragen naar eigen keus en inzicht. Teksten buitelden als kraaien in het medium van het luchtledige.

Weerstand van trage taal en beperkende taalpatronen lagen achter je of, beter gezegd, onder je.

Je had gedacht dat het huis der taal — als willekeurig ieder ander huis — slechts aan de onderkant gestut en gesteund werd, maar de blauwdruk was je nu volkomen helder geworden. Je hoefde niet meer naar beneden om eruit te komen. Vroeger was iedere poging tot ontsnapping spaak gelopen doordat je steeds dacht terug te moeten keren naar de basis. Je afkomst lokte en trok en je zat vast als elastiek aan de bodem. Nu was je vrij en schoot je door het dak van de taal.

Je ging niet door het dakraam, daarvoor was je vaart te ruim — of je moet de weidse hemelpoort een dakraamluik noemen. Het dak ging eraf, en je belandde op de verdieping vanwaar je omhoog kon kijken zonder verdere tegenstand. Weerstand van trage taal en beperkende taalpatronen lagen achter je of, beter gezegd, onder je. Je standpunt was omgedraaid, en je rustte in de stille lucht.

Door de grenzen van de taal heen gebroken, ins Blaue hinein losgeschoten. Daar draait alles (zich) om: er vinden spiegelingen plaats. De onderste steen komt boven, en de bovenbouw wordt onderlaag. Je leeft niet langer binnen de taal, maar zweeft erboven. Vrij van klankwetten, woordenboekbetekenissen, grammaticaregels en discursieve patronen. Vrij van taal, vrij van huis en haard.

Naar boven toe versnellend als een spiraal waren de betekenissen opgehoopt, ze pasten niet langer binnen een schaal, de vastigheid begon te smelten, over te lopen, te stromen, te dampen. En ze werden vermenigvuldigd, geïntensiveerd, toen eensklaps met een zucht ontvlamd, opgeflakkerd, doorgeknetterd en weer verdwenen. Je was de jager te slim af, de dans ontsprongen, uit de hoge hoed gevlogen. En daar bovenshuis was je vrij van woord en ging op in boventalige stilte: als in een ademloze luchtspiegeling die tot scherpe zwijglijn inzeeg en tot stiltepunt verdichtte.

Van boven uit de luchtigheid zagen woorden er enkel nog uit als achteloze dingen, door elkaar geklutste klankopeenvolgingen, her en der gedachteloos uitgestoten. Taal werd een geluidslaag, een projectiewand, een filmscherm. Vanuit je rijk van de vrijheid zag je dat het een eindig en beperkt geheel bleef. Het was fascinerend om mensen daarbeneden te horen praten, hun tongen de mechanische prefab-constructies van de taal te horen assembleren. Je hoorde in de woorden van de één de gedachten van de ander, en door de gedachten van de ander kronkelden onderaardse krachten, waar alleen jij zicht op had vanuit je hoogtepunt van stilte. De tetterende woorden waren als droommaskers van veelkoppige monsters, sprookjesprinsessen en tovenaars. Ze vormden een deken, een quilt van aan elkaar gestikte flarden.

Daar was je aan voorbij, jouw domein lag boven de willekeur, voorbij slippen van de tong, achterklap, doorklap en nababbel. In jouw zwijgen bleef het punt van de stilte scherpgeslepen. Vanuit je samengebald punt werd spraak als een waaier van stuifregen, ongeleide lichtnevels van zinloze onstopbare mechanieken.

Wat je later in de rapporten over jezelf teruglas hoorde je in optima forma om je heen: incoherentie, fragmentatie, desintegratie. Je zag de aardbodem waar het taalhuis op rustte een moeras worden, en je verkoos je luchtankers. Zij daarbeneden bleven doen alsof ze in beton spraken, terwijl jij de betonrot al op hun lippen zag. Jouw wereld werd die van de stilte, het zwijgen, de eilanden van rust, de archipel van oneindigheid in de oceaan van het niets.

Evenement 26 februari 2017: Filosofie van de waanzin in De Ontmoeting, Bennekom
Een lezing door de schrijver van het boek Wouter Kusters, georganiseerd door Vrijzinnigen Bennekom. De lezing begint om 10:30 uur. Deelnemen? Bekijk het evenement voor meer informatie.

www.wouterkusters.nl

Dit boekfragment is eerder op Zinweb.nl geplaatst.